Universiteit zoekt nog meer samenwerking

- Jaar

UNIVERSITEIT ZOEKT NOG MEER SAMENWERKING, SCHRIJVERSCOLLECTIEF , JOS ROEMER, HAN VAN KRIEKEN

Door Jos Roemer

(schrijverscollectief - Jos Roemer in gesprek met Han van Krieken)

 

Universiteit zoekt nog meer samenwerking met andere onderwijsinstellingen

Op zondag 12 maart bestond de IMC Weekendschool Nijmegen elf jaar. Tijd voor een feestje, vonden ze. De Weekendschool is wat de naam al aangeeft een school waar je in het weekend heen kunt. De school richt zich op leerlingen uit achterstandswijken in de leeftijd van 10 tot 14 jaar (groep 7, 8 en brugklas) en laat hen kennis maken met tal van beroepen in onze maatschappij (advocaat, arts, architect, brandweerman/vrouw). Check de website www.imcweekendschool.nl om een goed beeld te krijgen. Op zondag 12 maart was er dus een speciaal programma opgezet. Leerlingen en oud-leerlingen verzorgden tal van workshops en voor belangstellenden werd er een rondleiding verzorgd. Ik had een uitnodiging gekregen en fietste op die zonnige zondag naar het Kandinsky College, dat voor die gelegenheid haar ruimtes beschikbaar had gesteld. Het groepje belangstellenden werd ontvangen in een lokaal waar we ons aan elkaar voorstelden. Recht tegenover mij zat een wat langere man, goed verzorgd, ik schatte hem in als een vijftiger. Hij stelde zich voor als Han van Krieken, rector magnificus van de Radboud Universiteit. Dat kwam even goed uit, met hem wilde ik al een hele tijd een afspraak maken. Maar ja, hoe krijg je dat voor elkaar, een plekje in een drukke agenda? Onderweg van het lokaal naar een ander lokaal sprak ik hem aan. Of ik hem een keer mocht interviewen in verband met de innovatieagenda van onze stad. “Geen probleem” antwoordde hij direct. Hij tastte in zijn zak en overhandigde mij zijn kaartje. Twee maanden later zat ik bij hem op zijn kamer in het bestuursgebouw van de universiteit. Een boeiend gesprek volgde. Ik hoorde achteraf op mijn geluidsopname dat ik halverwege overstapte van ‘u’ naar ‘jij’. Ik was me daar toen niet van bewust.

 

“Ik ben over een week precies een jaar in functie als bestuurder. Ik heb me de afgelopen tijd vooral op de zaken in eigen huis geconcentreerd. Maar ik ben nu ook het omveld aan het verkennen. Onze ambitie is om de samenwerking met de andere onderwijsinstellingen te gaan versterken. We hebben behoorlijk wat kennis in huis over hoe leren plaats vindt. Welke processen zijn daarbij aan de orde? Vooral het breinonderzoek heeft veel opgeleverd. Ik denk dat we vanuit die kennisbasis het onderwijs op alle niveaus kunnen versterken. Eén van onze onderzoekers heeft op dat gebied onlangs een prijs gewonnen. Harvard, dé beroemde universiteit, werd tweede. Het ging over het leren van een andere taal. Op basis van neurologisch onderzoek hadden we een methode ontwikkeld om Lets te leren. Via onze methode konden proefpersonen achteraf 14 woorden en hun betekenis onthouden van de 20. De methode van Harvard resulteerde in 7 woorden! We hebben net twee nieuwe hoogleraren pedagogiek aangesteld voor deze ambitie. En met de pabo werken we samen aan een academische opleiding voor leerkrachten in het primair onderwijs.”

 

“Toen ik uitzocht met welke partners we samenwerken, ontdekte ik dat we amper met het mbo samenwerken. Wel met het hbo, maar daarbij is het idee toch vaak de doorstroming van hbo naar universiteit. Maar ik zie eigenlijk veel meer samenwerkende teams voor me van hbo’ers, mbo’ers en universitair geschoolde studenten. We werken hier bijvoorbeeld met behoorlijk ingewikkelde telescopen. Om die te maken moet je werken in teams met verschillende kundigheden. Je hebt universitaire studenten nodig die die dingen uitdenken, je hebt hbo-studenten nodig die dat kunnen vertalen en mbo-studenten die dat kunnen maken. Maar je kunt ook denken aan trainingen die bedoeld zijn voor zowel universitaire, hbo- als mbostudenten. We hebben bijvoorbeeld communicatietrainingen voor beroepen in de gezondheidszorg. Hoe communiceer je als arts of als verpleegkundige of als verzorgende met een patiënt? Deze trainingen worden nu al gemeenschappelijk gegeven voor universitaire en hbo-studenten, maar ik zou niet weten waarom niet ook mbo-studenten daaraan kunnen deelnemen. Om goed te kunnen samenwerken moet je nu eenmaal ook goed communiceren. Die interactie met het mbo wil ik graag intensiveren.”  

 

Het woordje ‘talent’ in de titel van de innovatieagenda, Ieder Talent Telt, hoe ziet u dat?

De universiteit heeft een speciaal programma voor getalenteerde studenten, de Honours Academy. Wat betekent ‘talent’? Dat klopt. Een tijdje geleden wilde de minister dat universiteiten speciale programma’s zouden opzetten voor excellente studenten. Wij hebben toen de Honours Academy opgezet. Studenten met de hoogste cijfers kregen in dat programma een extra aanbod. Zo’n 8% van de studenten maakt daar gebruik van. Dat willen we gaan herijken. Er zijn namelijk ook andere talenten dan hoge cijfers. Je kunt dan denken aan studenten die een sport op behoorlijk niveau beoefenen, of die muzikaal meer dan gemiddeld onderlegd zijn. Of studenten die zorgtaken op zich nemen voor een ziek familielid, of die een rol in een wijk of buurt op zich hebben genomen. Het programma van de Honours Academy moet beschikbaar zijn voor al die studenten, niet alleen voor de studenten met de hoge cijfers. Talent is dus breder, het gaat om een bijzondere belangstelling waarmee studenten aan de slag willen. Laatst sprak ik met een student die op hoog niveau aan veldrijden doet. Het lukt hem om naast zijn vele uren training ook zijn studie te doorlopen. Wel met zesjes en zevens, maar dat is zijn keuze. Prima, die kan wat mij betreft zó in het programma. Dat zou vroeger niet gaan.”

U heeft nu sinds een jaar deze functie, hoe bevalt het?

“Het is leuk werk. En er valt genoeg te doen. De Radboud Universiteit staat er over het geheel goed voor. Volgens de Keuzegids zijn we de beste brede universiteit van Nederland en onze onderzoekers zijn bijzonder succesvol in het verkrijgen van belangrijke onderzoekssubsidies en daarmee ook erkenning voor hun werk. We willen niet groter worden, maar wel nog beter, zowel op het terrein van onderzoek als onderwijs. Ik doe zelf nog één dag in de week onderzoek en af en toe geef ik nog een workshop.”

 

Waar ligt uw hart?

Dat verandert in de loop van je geschiedenis. Als arts heb ik altijd bijzondere aandacht gehad voor patiëntenzorg. Ik merk dat ik nu ik 60 ben meer aandacht krijg voor jonge mensen, hen kansen en ruimte geven vind ik mooi. Ik heb onderwijs altijd mooi gevonden, ik wil nu graag dingen overdragen.”

 

En hoe kijkt u naar het onderwijs in ons land?

“Er wordt veel geklaagd over het onderwijs, maar ik ben helemaal niet zo negatief. Er gebeuren mooi dingen en het onderwijs heeft ook een goede ontwikkeling doorgemaakt. Waar ik me wel zorgen over maak is het aanzien van leraren dat ze vanuit de samenleving ten deel valt. En dan bedoel ik niet alleen qua salaris. Als je soms hoort hoe ze benaderd worden door ouders… Het beroep van leraar moet echt meer aanzien en status krijgen. Goed onderwijs begint met goede docenten. Een goede opleiding kan daar zeker aan bijdragen.”

 

“Toen ik nog op school zat was ik erg goed in rekenen en slecht in tekenen. Als we een rekenles hadden was ik na tien minuten klaar. Mag ik nu gaan tekenen, vroeg ik dan. Nee dat mocht niet, dit uur is bedoeld voor de rekenles. Ik maakte wel eens de oefeningen van het volgende hoofdstuk, maar toen de docent dat ontdekte werd het kapot gescheurd. Tja, kinderen ontwikkelen zich heel divers en om daar als docent goed op in te kunnen spelen is een hele kunst. Wanneer je dat kunt verdien je aanzien”.