Iedereen heeft het recht tot bloei

- Jaar

RECHT OM TOT BLOEI TE KOMEN, SCHRIJVERSCOLLECTIEF , JOS ROEMER, JACK VAN DE LOGT

Door Jos Roemer

(schrijverscollectief - Jos Roemer in gesprek met Jack van de Logt)

 

Iedereen heeft het recht om tot bloei te komen

Op 8 mei spreek ik Jack van de Logt, bestuursvoorzitter van de scholengroep voor primair onderwijs Conexus. Om half zes, een tijdstip waarop de meeste mensen hun werkdag afsluiten, word ik ontvangen in zijn werkkamer. Groen! Ik heb niet eerder zoveel en zo’n grote planten in een kamer gezien, prachtig. Goed voor de zuurstof!

 

“Die beweging rond Ieder Talent Telt, die nu op gang is gekomen, is een beweging van onderop. De projectleider, Mirjam Ottens, slaagt erin om allerlei initiatieven met elkaar te verbinden, mensen in beweging te krijgen. Er gebeurt veel. Maar tegelijkertijd moeten we ook rekening houden met de zogenaamde systeemwereld. De beslissers, degenen die gaan over het geld, ook zij moeten meegenomen worden. Het is goed om out of the box allerlei initiatieven op te starten, maar we moeten ook recht doen aan het systeem waar we mee te maken hebben. Dat betekent dat we goed moeten documenteren waar we mee bezig zijn, wat is de kern, waar gaat het naartoe.”

 

Hiermee typeert Jack de situatie zoals hij die op dit moment waarneemt. In een gedetailleerd en boeiend relaas schetst hij voor mij de ontstaansgeschiedenis van Ieder Talent Telt. Hoe het begon met een inspirerende wethouder, Henk Beerten. Die een jaar of vijf geleden de verschillende onderwijsinstellingen in de stad bij elkaar bracht met de vraag: kunnen wij als collectief iets voor de stad betekenen? Kunnen we meer samenwerken dan de traditionele vormen van samenwerking die er altijd al waren? “In feite waren er twee kwesties die hij op tafel legde. We zijn een rijke stad met zoveel vormen van onderwijs binnen de gemeente. Hoe kunnen we laten zien dat we een kennisstad zijn? En ten tweede, hoe kunnen we de toeleiding naar de arbeidsmarkt verbeteren? Want met name in de technische beroepen is de aansluiting van opleiding naar bedrijfsleven niet optimaal. Beerten nodigde ons uit om een visie te ontwikkelen. Wat kunnen we samen betekenen voor de Nijmeegse jeugd?”

 

Nu ik dit schrijf realiseer ik me dat dit toch wel een bijzonder moment geweest moet zijn. Iemand die erin slaagt om met een open agenda alle onderwijsbestuurders bij elkaar aan tafel te krijgen met een behoorlijk fundamentele vraag: wat kunnen we samen betekenen voor de Nijmeegse jeugd? Wat nog bijzonderder is: het heeft geleid tot een beweging die nog steeds voort gaat. Terwijl we er ondertussen aan gewend zijn dat grootschalige innovaties in negen van de tien gevallen als een nachtkaars uitdoven. Jack kan over deze geschiedenis uitvoerig vertellen, nauw betrokken als hij is bij zowel de vergaderingen van de bestuurders als bij de concrete uitwerking ervan.

 

“In het begin waren we vooral zoekende. Iedereen moest een beetje aftasten welke rol hij of zij kon innemen, welke mogelijkheden er lagen. De kinderopvang was er in het begin nog niet bij. Die schoven pas aan toen de visie in conceptvorm al een heel eind gevorderd was. Beetje laat, inderdaad. Maar bij de kick-off in 2014 waren ze er gelukkig wel bij. Bij die officiële presentatie, in februari, konden we aan het publiek kenbaar maken dat we aan iets begonnen waren. We lieten toen een pamflet het licht zien met de titel ‘Iedereen heeft Talent’ en we presenteerden het als de innovatieagenda voor de komende jaren. Dat was een mooi afscheidscadeau voor wethouder Beerten”.

 

En toen ging de trein rijden? 

“Nou, niet echt. We kregen te maken met persoonlijke wisselingen. In mei van dat jaar kwam er een nieuw college in het stadsbestuur en een nieuwe wethouder, Renske Helmer. Zij kreeg dit dossier op haar bureau en we merkten dat ze in haar opstelling ook rekening moest houden met haar achterban. Bovendien, welke rol kreeg de gemeente? Een regierol of een meer participerende rol? Het leidde ertoe dat de wethouder niet meer de voorzitter was van het bestuurlijk overleg. Al met al heeft het even geduurd voordat alle verhoudingen weer gesetteld waren. Ook vanuit de HAN, vanuit de universiteit en vanuit het Voortgezet Onderwijs kwamen er nieuwe vertegenwoordigers. Ik kan me herinneren dat de schwung er op een gegeven moment een beetje uit was. Toen legde iemand de vraag op tafel: waarom zitten we hier eigenlijk bij elkaar? Dat was een belangrijk moment. We hebben toen onze ambitie opnieuw bevestigd en opnieuw ons commitment naar elkaar uitgesproken. We waren het met elkaar eens dat het geen vrijblijvend overleg mocht worden. Het eerste dat we deden was een projectorganisatie optuigen. Met een projectleider, Mirjam Ottens. En daarnaast een soort dagelijks bestuur, een bestuurlijke opdrachtgever en een ambtelijke ondersteuning in de vorm van Frans Janssen van de universiteit en mijzelf. Ik overleg heel regelmatig met Mirjam, Frans ook geloof ik. Soms wel meerdere keren per week. En als side-kick heeft Mirjam ook nog de ondersteuning van Frans de Vijlder, lector aan de HAN op het gebied van Goed Bestuur en Innovatiedynamiek. Hij is goed op de hoogte van wat er gaande is in de wetenschappelijke omgeving. Hij kent ook het bestuurlijk krachtenveld goed.”

 

“Ik ben wel eens bij een bijeenkomst van studenten geweest in het I/O gebouw van de HAN. Het had iets te maken met het huiskamerfestival. Als je talentontwikkeling wilt visualiseren moet je daar eens gaan kijken. Prachtig hoeveel er bij studenten dan los komt! Je zou wensen dat alle docenten dit ook volledig omarmen; zodat je met dit soort initiatieven bijvoorbeeld studiepunten kunt halen. Ik vraag me af hoe sterk dat draagvlak is.”

 

Wat vindt u hier zo mooi aan? Waar komt die betrokkenheid bij u vandaan?

“Tja, het is een soort credo van me: iedereen heeft het recht om tot bloei te komen. Als leidinggevende moet je mensen de ruimte geven en ze ondersteunen, vind ik. Heb ik altijd al gevonden. Waar dat vandaan komt…? Tja, op school vroeger verveelde ik me kapot. Ik was wel heel fanatiek in de sport. Ik deed op hoog niveau aan waterpolo. Daar stak ik veel trainingsuren in. Maar op school was ik minder gemotiveerd. Ik heb me na de middelbare school aangemeld voor een sportopleiding, maar daar werd ik voor uitgeloot. En omdat mijn verkering naar de pabo ging deed ik dat toen ook maar. Ook daar verveelde ik me. Ik voelde wel duidelijk dat tot mijn pensioen voor de klas staan niet mijn ding was. Ik had idealen. Die hadden te maken met het bestrijden van achterstanden. Ik ben toen pedagogiek gaan studeren. Op een gegeven moment overwoog ik de specialisatie forensische pedagogiek, het ondersteunen van kinderen met gedragsproblematiek. Je kunt ze wel als daders zien, maar ik vind dat het ook gewoon mensen zijn die door omstandigheden op de verkeerde weg zijn gekomen. Ik ben uiteindelijk steeds meer ‘de rode kant’ op gegaan, ben politiek actief geworden en heb nu behoorlijk wat bestuurstaken naast mijn gewone werk. Ik vind dat als je talenten hebt gekregen dat ook verantwoordelijkheden met zich meebrengt. Als je zoveel hebt gekregen moet je ook iets doen voor de samenleving. Het heeft misschien ook iets te maken met mijn jeugd. Mijn vader was al vroeg kostwinner in een gezin met drie zussen toen hij zijn vader op zijn achttiende verloor. Voor hem was het motto ‘hard werken en goed verdienen is gezond’. Maar over politiek heb ik met hem nooit kunnen praten. Misschien komt het daar vandaan dat ik er niet goed tegen kan als mensen zich op de vlakte houden. Je moet keuzes maken!” “Met de filosofie van het opbrengstgericht werken heb ik moeite. Wel vind ik dat je voor kinderen een eisende omgeving mag creëren, maar altijd vanuit een opvoedende intentie. Wat is goed voor dít kind? Wanneer je je als professional wilt bijscholen moet dát dan ook altijd het criterium zijn. Want je bent er uiteindelijk voor hen!” Ruim een uur later, half zeven, ga ik naar huis. Jack heeft dan nog een afspraak.