anders kijken - frictierijk onderwijs

- Jaar

ANDERS KIJKEN NAAR LEERLINGEN, FRICTIERIJK ONDERWIJS, SCHRIJVERSCOLLECTIEF , JOS ROEMER, MENNO PISTORIUS

Door Jos Roemer

(schrijverscollectief - Jos Roemer in gesprek met Menno Pistorius)

 

Anders kijken naar leerlingen levert frictierijk onderwijs op

Toen ik na het gesprek met Menno Pistorius naar huis fietste, bleven er drie begrippen in mijn hoofd nazoemen: ‘de hitte van onderop’, ‘oud vergaderen’ en ‘frictierijk onderwijs’. Ik heb iets met taal en vind het prachtig om nieuwe termen te ontdekken, vooral wanneer ze de kracht hebben om beelden op te roepen. Met deze drie vondsten kon ik vooruit.

 

Menno Pistorius is sinds een jaar directeur van de Faculteit Educatie van de HAN. Voor Ieder Talent Telt is hij de vertegenwoordiger van de HAN. Op 10 mei sprak ik hem in het gebouw aan de Kapittelweg. Wie last heeft van hoogtevrees moet daar niet over de reling kijken als je op de vierde verdieping bent. Het gebouw heeft een prachtige en enorme binnenruimte, de kamers en lokalen zijn aan de buitenkant gesitueerd. Ik vroeg me af of dat niet veel stookkosten opleverde, maar op de website van de HAN las ik dat het ’t meest duurzame gebouw van Nederland is. “Het atrium, in het hart van het gebouw, garandeert sociale interactie en overzicht” lees ik. Een verademing na de periode van de betonnen functionele recht-toe-recht-aan bouwstijl van de voorbije decennia. Sowieso kom ik steeds vaker onderwijsgebouwen tegen die een integratie uitstralen van onderwijskundige en bouwkundige visie.

 

Het woord ‘ontschotten’ valt een paar keer aan het begin van het gesprek. “Wanneer we blijven denken vanuit instituties missen we een echte doorgaande lijn. Leerlingen geven op de basisschool zeker wel een keer of acht een boekpresentatie. In het voortgezet onderwijs kun je daar op voortborduren, je hoeft daar niet vanaf nul te beginnen zoals ik wel eens merk wanneer ik met onze studenten mee ga. Er valt nog zo ontzettend veel werk te verzetten wat dat betreft.”

 

“In het proces van Ieder Talent Telt zie je dat er een andere manier van organiseren ontstaat. Waar we vroeger een beleidscyclus uitrolden wordt er nu een andere rol van ons gevraagd, meer water geven, laten groeien, verbinden… Leiderschap krijgt zo een andere betekenis. Je ziet dat mooi aan hoe de projectleider Mirjam Ottens te werk gaat. De grondtoon wordt dat je een verbinder bent. En je moet elkaar ook scherp houden op de ideële grondslag. Waar doen we het ook alweer voor? Als bestuurders mogen we wat mij betreft daar nog wel vaker over spreken. Welke waarde voegen wij als bestuurders toe aan dat proces?”

 

Heeft u een onderwijsachtergrond?

“Nee, ik kom uit de wereld van de zorg. Ik ben van huis uit fysiotherapeut. Maar ik kreeg al snel door dat daar de rest van mijn toekomst niet lag. Ik ben vrijwel direct daarna gezondheidswetenschappen en onderwijskunde gaan studeren. Vervolgens ben ik les gaan geven in medische vakken aan studenten fysiotherapie. Ja, ik heb toch altijd wel een passie voor onderwijs gehad, jonge mensen zien groeien… Op een gegeven moment kwamen daar managementtaken bij, dat breidde zich uit en uiteindelijk kwam ik terecht in een leidinggevende rol. Maar altijd iets met onderwijs, directeur bij zorgopleidingen en zo. En dus nu sinds een jaar bij deze prachtige faculteit.”

 

Als je kijkt naar het proces van Ieder Talent Telt en al die broedplaatsen, dan zou je kunnen zeggen dat we in een eerste fase zitten. De fase van het pionieren, van het allereerste enthousiasme. Op een gegeven moment zou dat over kunnen gaan in een volgende fase. Een fase waarin dingen geborgd worden en de richting waarin alles zich beweegt meer aandacht krijgt. Praten jullie daar wel eens op deze manier over de in de stuurgroep?

 

“Nee, zoals je het nu formuleert hebben we er niet expliciet over gesproken. Maar wat mij betreft gaat het in de kern om gedrag van mensen die betrokken zijn bij de vorming van jongeren. Wanneer ik merk dat gedrag verandert in de richting van kansen zien, waarderen, belemmeringen weghalen, 16 zorgen dat niemand tussen wal en schip valt, dan zijn we op de goede weg. En als dat dan leidt tot een soort hitte van onderop, mensen die zeggen ‘ja, maar nu moet er ook in de structuren iets veranderen’, dan moeten wij als bestuurders ook aan de slag.”

 

“Weet je, de systemen zijn ergens ook wel comfortabel. Het levert houvast op, je weet wat je moet doen. Wanneer je anders gaat kijken naar onderwijs, naar kinderen, kan dat frictierijk onderwijs opleveren. Die frictie moet natuurlijk niet teveel worden, het gaat er om met elkaar een goede balans te vinden.”

Ik ben al bezig met het afsluiten van het gesprek, ik berg mijn pen en mijn kladblok op.

- “Hebben we het voldoende gehad over de onzekerheden?” Oeps, dat wordt interessant. Het gesprek gaat verder.

 - “De onzekerheden?”

 - “Ja, natuurlijk, de onzekerheden. Hebben we als bestuurders voldoende onze zwakheden laten zien?”

- “Ehm, tja, u begint erover, dus…”

- “Nou, zoeken we ook voor onszelf voldoende de frictie op? Hoe vertalen we de beweging naar onze eigen instituties? Ik denk dat we aan dat hoofdstuk nog moeten beginnen. Practice what you preach, nietwaar?! Misschien zitten we nog ‘oud te vergaderen’. Ik zou het waarderen als we elkaar als bestuurders daarop gingen bevragen. Je zou kunnen zeggen dat we onszelf ook als broedplaats moeten gaan zien.”

 

Inderdaad, nog een broedplaats: de bestuurders. Klinkt ook beter dan ‘stuurgroep’.